Augustijns Historisch Instituut

De orde [De ordine]

De orde [De ordine] / Augustinus ; ingeleid en vertaald door Cornelis Verhoeven. – Budel: Damnon, 2000.- 126 p. – hb . – ISBN: 90-5573-159-5.

[flaptekst]   Binnen het gigantische oeuvre van Aurelius Augustinus (354­-30 is het werkje dat hier in vertaling wordt aangeboden, op het eer­ste oog niet meer dan een fragment of een aanzet: drie dagen werk op een benijdenswaardig leven van drie kwart eeuw. Op zijn beurt is het maar een deel van de wijsgerige geschriften die Augustinus componeerde in de vruchtbare periode tussen de na­zomer van 386 en Pasen 387. Samen met zijn moeder Monnica, zijn geliefde zoon, van wie hij zei dat hij ‘geboren was uit zijn zonde’ (Belijdenissen IX.6), maar die hij ‘Adeodatus’, ‘door God gegeven’ noemde, en een aantal leerlingen en vrienden had hij zich teruggetrokken op een landgoed bij Milaan. Naar dit landgoed worden deze stenografisch vast­gelegde dialogen wel aangeduid als ‘Cassiciacum-geschriften’.

In De orde kan de lezer nauwkeurig volgen, hoe zulke ge­schriften tot stand kwamen. Het boek is georganiseerd als een antwoord op een brief in dichtvorm van Augustinus’ vriend Zenobius, waarin die hem tot getuige maakt van zijn worste­ling met de aloude vraag naar het kwaad in de wereld, dat voor­al de goede mensen lijkt te treffen. Hierover houdt Augustinus drie dagen lang een gesprek waarbij behalve zijn broer Navigius ook zijn moeder Monnica aanwezig is en een enkele keer het woord voert, en waaraan verder wordt deelgenomen door zijn vriend Alypius, ook afkomstig uit Thagaste en later bisschop van die stad, en door Augustinus’ jonge vrienden en leerlingen Trygetius en Licentius, een veelbelovende dichter en zoon van Romanianus, de vaderlijke vriend en beschermer van Augus­tinus.

Veertig jaar later, als oude bisschop terugkijkt op zijn werk, maakt hij in zijn Nalezingen uit 427 geen melding van de deelnemers aan het gesprek en hun bijdrage, maar lijkt hij De orde als literaire compositie en wijsgerig traktaat helemaal voor zijn eigen rekening te nemen. Hij schrijft daar: “In diezelfde tijd schreef ik tussen die boeken door die over de Academici handelen, ook twee boeken over de orde. Daarin wordt de belangrijke vraag besproken, of de ordening van de goddelijke voorzienigheid zich uitstrekt over alles, zowel het goede als het kwade. Maar toen ik zag, dat een zo moeilijk te begrijpen kwestie langs de weg van de gedachtewisseling maar heel moeizaam kon doordringen tot degenen met wie ik die be­sprak, gaf ik er de voorkeur aan iets te zeggen over een volgorde in de studie waardoor een stap vooruit gezet kan worden van het stoffelijke naar het onstoffelijke.”