Augustijns Historisch Instituut

Vier antipelagiaanse geschriften

Vier antipelagiaanse geschriften / Aurelius Augustinus ; vertaling [uit het Latijn] Izak Wisse en Raf Debaene ; ingeleid door Anthony Dupont en Mathijs Lamberigts. – Kampen : Klement, 2014, ISBN: 978-90-8687-125-4. [Kalmthout] : Pelckmans, 2014, ISBN: 978-90-289-7558-3.- 414 p. ; 23 cm. 

In zijn anti-pelagiaanse geschriften werkt Augustinus zijn genadeleer uit: de gedachte dat het als gevolg van de oorsprongszonde onmogelijk is om goed te leven zonder Gods voortdurende hulp, een genade-gave die de zondige mensheid eigenlijk niet verdient. Augustinus van Hippo (354-430) ontwikkelde zijn systematische reflectie over genade vooral in debat met het zogenaamde pelagianisme, een stroming die volgens hem stelde dat iedere mens de opdracht heeft om goed te leven en hiertoe van God bij de schepping al de capaciteiten ontvangen heeft om zonder bijkomende hulp het eigen leven goed te maken. Augustinus meent dat het pelagianisme op deze wijze te veel steunt op de menselijke autonomie en dat daardoor vergeten dreigt te worden dat de mens bij alles wat deze doet steeds de hulp van Gods genade (gratia) nodig heeft. Vier van zijn anti-pelagiaanse geschriften worden hier in vertaling gepresenteerd:

Augustinus, s. – De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum (411)
Augustinus, s. – De natura et gratia (413)
Augustinus, s. – De praedestinatione sanctorum (428)
Augustinus, s. – De dono perseverantiae (428)