Zalig Pasen

Zalig Pasen

Wakker blijven is is dus op zichzelf niet prijzenswaardig. Bandie­ten blijven immers ook wakker, maar ze hebben er wel een andere bedoeling mee. Ze houden zich schuil tot de mannen slapen en willen dan bij de vrouwen komen onder de duistere medeplichtigheid van de nacht. Ook de beoefenaars van zwarte kunst blijven wakker, maar dan wel om demonen te dienen en met hun hulp schandelijke daden te verrich­ten. Het voert te ver en het is ook niet nodig te vermelden, waarom al dat tuig wakker blijft.

Maar er zijn ook wel voorbeelden te noemen van mensen die met eerlijke bedoelingen wakker blijven: ambachtslieden, boeren, schip­pers, vissers, reizigers, handelaars, allerlei leidinggevenden, rech­ters, advocaten, in- en verkopers van boeken, bazen en onderge­schik­ten, en met welke tak van techniek, wetenschap of nijverheid een mens zijn leven ook doorbrengt. Maar dat doet hij wel met de bedoe­ling dat de aarde gemakkelijker en menswaar­diger bewoond kan worden door haar bewoners, die snel als een adem­tocht weer verdwij­nen.

Kortom, allen die ‘s nachts waken, hebben een doel. Als het een ongeoor­loofd doel is, worden zij veroor­deeld tot de eeuwige dood; als het een geoor­loofd doel is, wordt het teniet gedaan door de tijdelij­ke dood. Christus nu is het doel van de wet tot gerech­tigheid voor ieder die ge­looft. Wij waken door naar Christus te kijken. Hij is het doel van de volmaakt­heid. Hij bevrijdt ons van een einde dat veroorde­ling of vernie­tiging inhoudt. De mensen die ik zojuist noemde, blijven wakker met een eerlijke of oneerlijke bedoe­ling: zij kijken en streven wel naar een doel, maar hún doel is vergankelijk, óns doel kent geen einde. Uitein­delijk waken zij zonder dat ze de volmaakte rust zullen vinden in waar ze naar uitzien. Wij waken en bidden dat we niet op de bekoring ingaan. Zo overwin­nen wij immers de belager op onze levens­reis. Zo bereiken wij de Heiland, bij wie we voor altijd de volmaakte rust zullen vinden.

Sermo 229G,2
     Uit: Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; – Baarn : Ambo 1996, p. 115-116.